Zelf zaadjes zaaien, wie wil dat nu niet? Het is een van de leukste dingen van het tuinieren: je stopt iets heel kleins in de grond en na verloop van tijd begint er iets heel spannends te groeien. Je kunt je bijna niet voorstellen dat al dat genetisch materiaal in zo’n klein zaadje ligt opgeslagen.
Maar hoe zorg je nu dat je zaaisels ook een succes worden? Dat is makkelijk genoeg!
Op de zakjes zaad die je hebt gekocht staat de goede zaaitijd aangeven, voor binnen én buiten. Tip: zaai niet alles in één keer, zeker niet met kinderen. Dan heb je nog iets achter de hand, mocht er met de eerste lichting onverhoopt toch iets misgaan.
Om te beginnen moet je zaaien in de juiste grond, liefst in speciale zaai- en stekgrond. Dat is relatief arme, luchtige grond. De gedachte hierbij is dat de worteltjes van de kiemplanten geprikkeld worden om op zoek te gaan naar voedsel. Hoe meer ze moeten zoeken, hoe beter ze zich ontwikkelen. Ook moet er een goede afwatering zijn in de zaaipotjes, anders zullen de kiemplanten schimmelen, rotten of omvallen. Grond is luchtiger te maken met vermiculiet of met scherp zand, bijvoorbeeld brekerzand, wat je ook wel tussen de stenen van je terras strooit.
Zaaien doe je dun, dat wil zeggen niet teveel zaden tegelijk in een potje. Er zijn speciale zaaibakjes en – potjes verkrijgbaar, maar je kunt ze ook zelf fabriceren van papier of karton. Potjes van geperst plantaardig materiaal hebben als voor deel dat je de zaaisels niet meer hoeft te verplanten (“verspenen”), maar dat je de plantjes met pot en al in de vollegrond kunt zetten.
Als je binnen zaait, zet de zaaisels dan op een koele, lichte plek, bijvoorbeeld in de vensterbank van een koele slaapkamer of in de schuur. Niet in de volle zon, want dan zullen ze verbranden. Wel moet er licht genoeg zijn om de plantjes compact te laten groeien. Zou je dat niet doen, dan gaan de plantjes rekken en krijgen lange, slappe steeltjes waardoor ze omvallen.
Geef met mate water, nooit meer dan dat de plantjes meteen kunnen opzuigen, anders rotten ze weg. In het begin, als er nog geen kiemblaadjes zichtbaar zijn, kun je evt. een plastic zakje over je potjes heen trekken. Maar zodra er blaadjes komen, kun je het beste weer gaan luchten en het plastic weghalen. Dat luchten doe je ook als je in speciale zaai- of broeibakjes zaait.
Zodra het weer het toelaat en er geen kans op nachtvorst meer is, kunnen de plantjes naar buiten. Zet ze niet in direct zonlicht i.v.m. kans op verbranding, maar wel zoveel mogelijk in het daglicht én uit de wind. Mocht je de plantjes nog een keer willen verspenen, ga dan heel voorzichtig te werk, want de wortels en de steeltjes zullen nog heel teer zijn. Zodra er echte plantjes gevormd zijn, kun je ze in de tuin of in grote bloempotten zetten en ze langzamerhand laten wennen aan meer zonlicht. Na een week of zes kun je voorzichtig wat mest geven en toezien of de planten voldoende vocht hebben. En dan… groeien maar!